De rol van de medewerker

Zoveel mogelijk individueel werken met een heterogene groep, vraagt veel competenties en kennis. Van onze begeleiders wordt verwacht dat ze kunnen omgaan met heel verschillende hulpvragen, met mensen met heel verschillende niveaus van functioneren. Soms ben je activiteitenbegeleider, soms groepswerker, dan weer ambulant werker, trainer of coach. Dit vraagt veel communicatieve vaardigheden, creativiteit en samenwerking.

Het kweken van een diepgaande gezamenlijke mentaliteit en bijpassende werkhouding gaat niet van vandaag op morgen. Het vraagt om specifieke implementatietechnieken, die min of meer onafhankelijk zijn van het denkniveau van medewerkers met hun specifieke deskundigheden en cliënten met hun sociale netwerken. Daarbij vraagt het ook een bepaalde mentaliteit van medewerkers: anti bureaucratisch en op vernieuwing en experimenten gericht.

Medewerkers in de zorg proberen uit efficiencyoverwegingen en uit verkeerd geïnterpreteerde medemenselijkheidsoverwegingen zoveel mogelijk voor de cliënten te doen, voor hen te zorgen. Er wordt niet zozeer gekeken naar wat mensen nog wél kunnen, desnoods door het iets anders aan te pakken of met hulpmiddelen te werken, maar de nadruk wordt gelegd op wat mensen níét kunnen. Medewerkers proberen daarbij de patiënt alles uit handen te nemen. Een bijeffect is dat men zo zelf patiënten creëert.

Als de extrinsieke motivatie meer informerend, waarderend of enthousiasmerend is, bijvoorbeeld door feedback te geven over wat iemand wél kan, kan een beloning wel degelijk een positief effect hebben. Mensen met initiatief pakken zaken overigens intrinsiek al vaak op, voordat externe krachten hen sturen. Zij acteren dus al voordat ze in feite extrinsiek gemotiveerd worden. Daarbij blijkt dat problemen die ze zelf ontdekt hebben eerder op creatieve wijze worden opgelost dan problemen die hen aangereikt worden.

Zo blijkt geregeld dat medewerkers passief worden als hun senior-managers zichzelf, vaak met enige trots, beschouwen als probleemoplossers die besluitvaardig actie ondernemen. Werknemers op lager niveau raken er daardoor aan gewend dat hen verteld wordt wat ze moeten doen en worden zelf steeds minder gemotiveerd. Er dient, net als bij cliënten, ruimte te zijn om activiteiten zelf te initiëren en aan te pakken. Alleen op deze manier kun je vermijden dat werknemers passief worden en dat hun creatieve prestaties achteruitgaan. Als het individu zich aangemoedigd voelt en alert en vrij is om van zijn volledige scala aan capaciteiten gebruik te maken, zal een serendipisme² eerder boven komen drijven.